HomeNieuwsAgendaZoekenContact
SKBN5.png
Q-koorts
Q-koorts Journaal
Hieronder zijn een aantal aandachtspunten en adviezen te vinden om het risico op besmetting met Q-koorts te minimaliseren en ervoor te zorgen dat u weet waar aan te denken.

Kan ik besmetting met Q-koorts voorkomen op mijn kinderboerderij?

Nee. Besmetting met Q-koorts kan niet voorkomen worden. De bacterie verspreidt zich via de lucht en dit kan over grote afstanden. Wel kunt u de kans minimaliseren door hygiënemaatregelen te treffen. Tevens is het verstandig om zowel het personeel als de bezoekers voor te lichten over Q-koorts.

Hoe weet ik of mijn kinderboerderij besmet is?

Testen van dieren op besmetting

Als u twijfelt of uw dieren besmet zijn of wanneer er aanleiding voor is (bijvoorbeeld als de kinderboerderij in een besmet gebied staat, er vorig jaar (of dit jaar) abortussen waren of wanneer er medewerkers ziek geworden zijn), kunt u uw dieren laten testen op Q-koorts.

Op niet-melkleverende bedrijven zoals hobbyhouderijen en kinderboerderijen zijn vaginaalswabs het enige monstermateriaal dat genomen kan worden om de besmettingsstatus van een dier vast te stellen. Helaas is deze test niet waterdicht, omdat dieren niet constant de Q-koorts bacterie uitscheiden. Daarnaast geeft deze test al een positieve uitslag bij één bacterie.

Om de besmettingsstatus van een dier vast te stellen, zal dus herhaald bemonsteren en testen nodig zijn om met een steeds groter wordende zekerheid vast te stellen of een dier met de Q-koortsbacterie besmet is. Hoe vaak er bemonsterd en getest zal moeten worden is niet aan te geven, omdat gegevens over de voorspellende waarde van de test in dit stadium van de infectie, vlak voor het aflammeren, ontbreken. Door middel van het herhaald testen wordt de kans groter dat positieve dieren worden geïdentificeerd.

Kinderboerderijen kunnen hun dieren dus wel laten testen op de aanwezigheid van de Q-koortsbacterie, maar de uitslag is een momentopname. Daarnaast is naar aanleiding van één test niet met zekerheid te zeggen of de locatie vrij is van Q-koorts. Wel geeft het een indicatie.

Houd uw dieren en medewerkers in de gaten

Indien u afwijkingen bij uw dieren constateert, zoals (onverwachte of een hoog aantal) abortussen bent u verplicht om dit te melden. Maar ook als u merkt dat er onder uw personeel (en vrijwilligers) een hoger ziektepercentage is dan normaal – en met name rond en na de lammertijd – is het ook verstandig om hier actie op te ondernemen. Zie hiervoor het hoofdstuk ‘Voorlichting en personeel’.

Houd contact met de GGD en de gemeente

Als er Q-koorts bij mensen wordt geconstateerd, is de arts verplicht om dit te melden bij de GGD. Zij zullen contact met u opnemen en proberen de bron van de besmetting te vinden. Zij zullen ook in overleg met het besmette bedrijf besluiten welke maatregelen er genomen worden en eventueel artsen en omwonenden informeren.

Waarom worden kinderboerderijen niet standaard onderzocht op Q-koorts?

Niet-melkgevende dieren kunnen alleen middels de vaginaalswabs getest worden op aanwezigheid van de Q-koorts bacterie. Maar dat onderzoek geeft onbetrouwbare informatie over de volksgezondheidsrisico’s van de kinderboerderijen. De test wordt bijvoorbeeld al positief bij één bacterie op een swab, terwijl een dergelijk bedrijf geen risico voor de volksgezondheid hoeft te zijn. De Q-koortsbacterie is endemisch ('plaatselijk') in Nederland en kan ook in de omgeving en bij andere diersoorten voorkomen. Het doen van vaginaalswabs en de uitkomst daarvan is dan ook geen aanleiding om kinderboerderijen besmet te verklaren en andere of extra maatregelen te nemen. Voor kinderboerderijen is daarom een hygiëneprotocol opgesteld, om een eventueel risico op besmettingen van mensen te minimaliseren. Bron.

Wat moet ik doen als mijn kinderboerderij zich binnen de 5-km zone van een besmet bedrijf bevindt?

In dat geval is het van belang extra waakzaam te zijn. In deze 5-km zone is de kans op besmetting groter. Laat dan ook uw dieren testen als u in een besmet gebied wordt. Neem de hygiënemaatregelen dan extra in acht en hou de dieren goed in de gaten, ook als ze gevaccineerd zijn. Neem ook contact op met de GGD om te overleggen welke maatregelen er genomen worden bij een eventuele besmetting.

Wat kan ik nog meer doen?